Vixen ED102 versus Orion OMC140

Uit Astrowiki
Versie door JohnBaars (Overleg | bijdragen) op 12 jun 2016 om 06:28

(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Ga naar: navigatie, zoeken

OMC 140 versus Vixen ED102S

Inleiding

Onlangs heb ik tweedehands een oudere Japanse Vixen ED 102 f/9 refractor aangeschaft, stammend uit de jaren negentig. Reden: ik wilde een beetje af van die lange afkoeltijd van mijn OMC Maksutov, maar toch minstens de beeldkwaliteit van de Maksutov behouden. Liefst bij gelijkblijvend gewicht. Onderstaande kijkervergelijking heeft in eerste instantie als hoofddoel: visueel waarnemen. Zaken waar ik minder waarde aan hecht zoals mogelijkheden tot webcammen, oogverblindende afwerking of focusseren met je oogwimper, zijn buiten beschouwing gelaten. De mechanische afwerking van beide instrumenten ligt op niveau 2000, wat dat ook moge zijn, in ieder geval goed genoeg voor het doel: waarnemen.

De Refractor

De Vixen stamt origineel nog uit Japan, heeft een 102mm ED doublet-lens en is door zijn relatief lange brandpunt van 920mm verrassend goed voor kleurfouten gecorrigeerd. Verbazingwekkend zelfs. Modernere en kortere versies komen uit de Chinese Synta-fabrieken. Uit stertesten bleek een nauwkeurigheid van 1/8 Lambda of beter. Inwendig voorzien van vijf baffles en angstwekkend zwart van binnen. Verder een relatief eenvoudige focusser.


De Maksutov

De OMC ( Orion Maksutov Cassegrain D140mm, F2000mm, uit de UK) werd nieuw aangeschaft in 2001 bij Astrotechniek om een oudere 102mm f/9 Achromaat te vervangen. Die stond op mijn toenmalige opstelling teveel windvaan te spelen. Ik zocht wat korters. Een Maksutov dus. Skywatcher was toen nog niet in de picture met kwaliteitsspul. Orion Optics UK was een van de weinigen die toentertijd luidkeels adverteerden met een gegarandeerde zuiverheid van ¼ Lambda. Er waren toen niet zoveel merken die dat durfden, bang om niet aan de verwachtingen te kunnen voldoen, tegenwoordig is dat wel wat anders. Bij aankomst bleek de spiegel aan de opgegeven specificaties te voldoen, ware het niet dat hij aan oppervlakteruwheid leed. Terug dus, en een nieuwe spiegel er in. De nieuwe spiegel bleek beter dan ¼ Lambda. De OMC werd mede ontworpen door H. Rutten en is inwendig voorzien van een uitgekiend baffle-systeem. De kijker is niet gemaakt om 2”oculairen met een heel lang brandpunt aan te kunnen, 1,25 Inch uiteraard wel. Een standaard SCT focusser, enige speling, echter vrijwel zonder de gevreesde mirror-shift. Op latere types zit een micrometer-focusser.

“Randapparatuur”

De vergelijking is gemaakt tijdens drie heldere nachten eind september. Een directe side-by –side vergelijking ging niet, omdat ik maar één montering heb, een GPDX op zuil. Kijkers wisselen dus. Dit was door de Vixen zwaluwstaarten vrij eenvoudig te doen. Meestal ½ tot 2 graden nastellen, meer niet. In de Vixen werd een Televue 1,25” zenitspiegel gemonteerd. Op de OMC een William Optics 2” zenitspiegel. Beide van onbesproken kwaliteit en gedrag. Als er gebruik moest worden gemaakt van een barlow lens, gebruikte ik elke keer dezelfde Vixen DX uit 1991, die overigens tenminste van dezelfde kwaliteit is als de Televue die bij andere vergelijkingen gebruikt werd, zo niet beter. De gebruikte oculairen waren een Panoptic 24mm, Nagler 16 en 7mm, Brandon 12mm, Pentax XF 8,5mm, Pentax XW 5mm en in één geval de Pentax XO 2,5mm.

Koelen

Elke testavond werd geopend met het afkoelen van de kijkers. Het grote voordeel van de refractor, de snelle koeltijd ,was duidelijk. Binnen 15 minuten viel er waar te nemen. De beelden op dubbelsterren waren vrijwel onmiddellijk daarna al acceptabel. De Maksutov, met zijn dikke corrector en afgesloten spiegel achterin deed daar meer dan 1 ¾ uur over. Acceptabele planeetbeelden waren dan wel mogelijk, maar echt veel beter was het pas na 3 uur. Absolute topbeelden op de planeet Jupiter pas na 3 ¾ uur. Een truc om het koelen te versnellen was het openen van de gaatjes voor de collimeerboutjes aan de achterkant evenals het rechtopzetten op een koele ondergrond zonder zenitspiegel met het gat naar boven. En natuurlijk nog voor etenstijd buiten zetten.

Airy en Seeinggevoeligheid

Beide telescopen produceren als sterafbeelding keurige textbook schijfjes van Airy binnen een dunne buigingsring en daar weer veel zwakkere en nog dunnere buigingsringen om heen. De Vixen geeft een “clean split” op dubbelsterren dankzij zijn geringere gevoeligheid voor seeing dan de OMC. Een keurig schijfje met een bijna stilstaand miniringetje. In de OMC was een en ander goed te zien, maar de eerste en iets dikkere buigingsring bleef telkens uit elkaar vallen als gevolg van seeing. Ook bij afgekoelde telescoop kon de OMC de hele buigingsring met moeite vasthouden, in tegenstelling tot de refractor. Een tikje slordig gezicht, maar het systeem eigen. Mede hierdoor lijkt het alsof de OMC slechter in staat zou zijn om dubbelsterren te scheiden. Niets is echter minder waar. Op grond van de opening zou de OMC het zelfs beter moeten doen. In de praktijk bleken ze behoorlijk aan elkaar gewaagd. Seeing zorgt er wel voor dat het grotere hoekscheidend vermogen van de OMC vaak niet gehaald wordt.

Dubbelsterren

Testen werden altijd geopend op heldere dubbelsterren, die zijn het eerste zichtbaar en zo mogelijk werd dit aan het einde van de sessie nog eens herhaald. Op nauwe ongelijke dubbelsterren zoals Delta Cygni bleek een vergroting van 368X ( 3,7 X D, diameter objectief in mm ) met de Vixen nog mogelijk, nog hoger kon wel, maar dan werd de zwakkere begeleider minder goed zichtbaar. De OMC kon dit spelletje iets langer volhouden , maar bleef rondom 470X steken (3,4 X D ) Met beide is nog meer geprobeerd, maar dit kwam de kwaliteit van het beeld niet ten goede. Lichtzwakker en vager. Het exacte scheidend vermogen van beide kijkers heb ik niet bepaald, maar met beide instrumenten kan je samen met je geliefde tussen Epsilon Lyrae 1 of 2 door wandelen.


Nogmaals Airy

Maar er is nog meer. Een geobstrueerde telescoop als de OMC produceert minder sterlicht in de airy-schijf en meer in de eerste buigingsring dan een kijker zonder obstructie. (65% licht in de schijf en 22% in de eerste ring) Een lenzenkijker zoals de Vixen produceert meer licht in de sterpunt (84%) en minder in de ring.(7%) Dit is een gegeven. Diameter van het schijfje van Airy is in mm: N/735. In de OMC dus 0,02 mm en 0,012mm voor de Vixen. Niet moeilijk in te zien dat de OMC met zijn verzamelde licht wat “slordiger” omgaat. Even de rekenmachine erbij en dan blijkt dat de Vixen per vierkante mm in de Airyschijf ook absoluut gezien meer licht propt dan de OMC. Kleiner en helderder sterpuntje dus! Op het kleine begeleidertje van Delta Cygni werd dit ook daadwerkelijk gezien: de OMC smeerde hem onmiskenbaar groter en vager uit.

Grensmagnitude

Sorry voor de vorige tussenstap, maar dit brengt mij op de gehaalde grensmagnitude. De OMC voldeed keurig aan de eisen door te blijven staan op magnitude 13 op het sterretje naast M57. De lenzenkijker klimt met een geobserveerde 13 op dezelfde ster ruim 0,8 magnitude uit boven de hem toebedeelde 12,2 in de folders. Even diep dus. Grensmagnitude sterren werden gezien in de OMC bij 333X met de gebarlowde Brandon en in de Vixen bij 216X met de gebarlowde Pentax XF. Nog hoger vergroten gaf eigenlijk geen verdere zichtbare verbeteringen meer, alleen maar grotere en vagere sterrenschijfjes. Als ik dit veralgemeniseer betekent het 2,4D voor een Mak en 2,1D voor een refractor.

Kleurfout?

Kleurfoutje…., om Vega heen is bij hoge vergroting en met grote moeite in de Vixen een diep en diepdonkerpaars gloedje waarneembaar; als het helder is. Nauwelijks te onderscheiden van de hemelachtergrond. Daar moet je echt voor gaan zitten. Op Jupiter is geen kleurfout het vermelden waard. Maar een piepklein randje is er, die ik eerder toeschrijf aan atmosferische dispersie. Een Atmosferische Dispersie Corrector biedt uitkomst. De OMC heeft natuurlijk geen waarneembare kleurfout.

DSO

Stappen we over naar Deep Sky; daar waren mijn verwachtingen hoger gespannen. Hier moest de hogere absolute lichtwinst van de OMC toch zijn werk gaan doen. Ook daar bleek dat de Vixen knapper presteerde dan ik verwachtte. De hogere contrastoverdracht van een kijker zonder obstructie tegenover een geobstrueerd systeem deed zijn werk. Bolhopen en Planetaire nevels waren weliswaar iets helderder maar absoluut niet zo dramatisch voor een lichtwinst van 2X dat je van een enorm verschil kan spreken. De superzwakke NGC7008 was in de 10cm refractor even evident als in de 14 cm Maksutov. Vooral bolhopen scoorden nagenoeg gelijk. De kleinere sterpuntjes zijn daar debet aan. Hetzelfde gedrag zag ik in een directe vergelijking tussen een C9,25 en een 130mm APO. Kleinere DSO ‘s verdroegen een hogere vergroting in beide telescopen ( 1 X D ) dan grotere zoals bijv. de Andromedanevel, of M33 die bij 0,5 X D of nog minder ( 0,25 X D ) beter tot hun recht kwamen. Bekend gedrag. Wel was opvallend dat bij gelijke vergroting vooral de open hopen en in zekere mate ook de bolhopen in de refractor net wat meer “smaak” hadden. Het contrast met de hemelachtergrond was groter en hoewel iets zwakker afgebeeld gaven het hogere contrast en “vinniger” sterprikjes een prettiger, maar ook briljantere aanblik. Kort door de bocht: in de Mak was de aanblik “softer”.

Planeten, in dit geval Jupiter…..

Planeten is weer een ander verhaal. Het gedrag van een refractor tegenover een grotere spiegeltelescoop mag inmiddels redelijk bekend verondersteld worden. Bij gelijke gemiddelde seeïng scoort de kleinere Vixen refractor beter dan de OMC spiegeltelescoop. Even voor de leesbaarheid: Je ziet 98% van de tijd meer details in je lenzenkijker. Tijdens die andere 2 % superseeïng van je waarneemtijd scoort de spiegeltelescoop beter. De nauwkeurigheid van je optiek speelt daar trouwens ook een zeer doorslaggevende rol in. De grap is dat je op die superseeïng momenten soms wel heel lang moet wachten, soms langer dan meerdere avonden. Tijd genoeg dus voor het bouwen van allerlei mythen rondom de prestaties van lenzenkijker versus spiegeltelescopen… Ik maak mij daar geen illusies over. Tijdens de testavonden maakte ik één supermoment met de OMC en Jupiter mee. Het beeld reageerde precies zoals voorspeld: een geweldig loepzuiver , zeer gedetailleerd beeld, zo fijngetekend en gelardeerd met guirlandes en kleurschakeringen dat geen foto of tekening het kan evenaren. Het duurde slechts enkele seconden….. Met de refractor heb ik zo’n moment nog niet meegemaakt. Hoeft ook niet, het beeld is gemiddeld toch afdoende interessant beter dan in de OMC, een fontein van details voor de fijnproever, een weelde zelfs. En zo komt de refractor dus aan zijn naam van planetenkiller…..


Welke vergrotingen voor Jupiter?

Belangwekkender voor forumleden is de vraag bij welke vergrotingen die mooie beelden werden gehaald. In de Maksutov was doorgaans 167X ( Brandon) het mooist en helderst. ( 1,2 x D) Als de seeïng heel goed was kon ik tot 235X gaan ( 1,7 X D met Pentax XF), maar dat was uitzondering. Tijdens zo’n supermoment zou ik tot...………………………weet niet……………………...kunnen gaan. Toen het gebeurde zat er 167X in. Ik vermoed tegen de 300X, ongeveer 2 X D dus. In al die waarneemjaren heb ik dit soort topmomenten slechts enkele keren per jaar meegemaakt en dan zit steevast de verkeerde vergroting erin ……

In de Vixen refractor was 153X een mooie vergroting ( 1,5 X D met de gebarlowde Brandon) Bij de goede seeïng van zondagochtend 02-10-2011 was 184X heel fraai ( 1,8 X D) met de Pentax XW en gaf de lenzenkijker beelden zoals we die van refractors willen hebben: helder , scherp en briljant. 216X werd geprobeerd maar was een fractie minder briljant; bij nog hogere vergrotingen wordt de uittredepupil zo klein dat je de eiwitsliertjes in je oogvocht op de Jupiterbol voorbij ziet komen drijven ( mouches volantes). Wel levendig, maar niet bevorderlijk voor het onderscheiden van contrastarme details op de lichtzwakke en vager wordende Jupiterschijf .

Samenvatting:

OMC of Vixen? Deze kijkers doen niet veel voor elkaar onder. De OMC is een mooie allrounder voor DSO- waarnemen en blinkt vooral uit op kleine planetaire nevels en topmomenten met planeten . Er is geen kleurfout. Er is zichtbare , niet dramatische lichtwinst, maar dit vertaalt zich niet naar grensmagnitudewinst. De Vixen is meer dan een goede allrounder op planeten en blinkt uit op afkoelen ,seeing, sterbeeld en grote open hopen. De hoge contrastoverdracht en scherpere sterretjes compenseren grotendeels voor de geringere lichtwinst. Haalt een hogere grensmagnitude dan je in eerste instantie van de opening verwacht. Wisten we dit al? Ergens wel, ik wilde het alleen bevestigd zien.

Conclusie:

Deze telescopen zijn aan elkaar gewaagd. In verband met mijn persoonlijke voorkeuren voor het snelle afkoelen, de strakkere sterbeelden, de fraaie planeetbeelden en contrastrijke grote stervelden, geef ik mijn stem aan de Vixen. Overigens geldt voor de eindbeoordeling dat die geheel voor mijn rekening komt, wellicht dat iemand anders andere accenten zou leggen.

John Baars