Koopgids nieuwe telescoop

Uit Astrowiki
Ga naar: navigatie, zoeken

Als de beslissing om een telescoop te gaan kopen eenmaal gemaakt is blijkt helaas al vrij snel dat door de bomen het spreekwoordelijke bos gauw niet meer zichtbaar is. Had je vroeger nog maar de keus uit een paar telescopen van goede kwaliteit, tegenwoordig is er voor elk budget wel wat te vinden en zijn er binnen dat budget talrijke mogelijkheden. In dit artikel wordt een poging gedaan om uit te leggen welke eigenschappen/opties het al dan niet kiezen voor een bepaalde telescoop moeten bepalen. Het is echter onmogelijk om alle mogelijkheden te behandelen. Het maximale budget in dit artikel ligt rond de 700-800 euro, maar de tips zijn zeker ook van toepassing op telescopen van 200 euro of nog minder. Er zullen namelijk maar weinig beginners zijn die meteen voor 3000 euro een telescoop kopen. Dit maakt dit artikel ook overzichtelijker omdat met een beperkt budget de totale hoeveelheid keuzes die gemaakt kan worden aanzienlijk vermindert, doch is deze nog altijd uitgebreid genoeg om door de bomen het bos niet meer te zien.

Een bekende voetballer zei ooit eens: “Elk voordeel heb z'n nadeel”. Deze gevleugelde uitspraak is op vrijwel alles van toepassing en zo ook op telescopen. De ideale telescoop bestaat niet. Een simpel advies als: koop de meeste opening voor je budget gaat ook niet altijd op. Hoe groter de telescoop, des te meer werk is het om het ding te verplaatsen, op te zetten en af te laten koelen. Een kleine kijker wordt door het lage gewicht nog al eens vaker voor een snelle sessie tussen de buien of wolken door ingezet. Het gaat erom wat de gebruiker verwacht van zijn kijker en waar zijn interesses liggen. Om dit te ontdekken kan men het beste beginnen met een goedkope kijker waar uiteindelijk nooit veel verlies op zal worden gemaakt mocht de hobby toch niet bevallen. Houd hiervoor een budget van maximaal 200-250 euro aan en koop niet meteen voor 200 euro accessoires. Een 2e hands 20cm dobson is voor dit budget zo ongeveer het hoogst haalbare. Ook een kleinere kijker zoals een 13cm newton of Bresser Skylux zijn goede beginnerstelescopen tegen lagere prijs (ongeveer 100 en 40 euro tweedehands).

Kijkerbouw[bewerken]

De bouw van de kijker bepaalt in grote mate waar deze kijker het beste voor geschikt is en wat men kan verwachten van een dergelijke kijker.

Objectiefdiameter[bewerken]

Als beginner wil je natuurlijk een zo groot mogelijke kijker voor je geld. Toch kan men zich hier flink op verkijken. Een algemene regel is: hoe kleiner de kijker, des te vaker wordt deze gebruikt. Een groter objectief betekent ook een grotere kijker en vooral zwaardere kijker. Voor een korte sessie wil je deze niet naar buiten sjouwen. Ook koelt de grotere kijker langzamer af waardoor men al redelijk zeker moet zijn van het weer. De prijs wordt ook buitenproportioneel groter naarmate de diameter toeneemt.

Voor zwakke deep-sky is een 20cm newtonkijker een zeer mooie instapmaat. Een 25cm dobson is eigenlijk de perfecte keus voor een kijker met genoeg lichtvangend vermogen en gemak de kijker te transporteren. 30cm en groter geeft natuurlijk helderdere beelden maar zijn met uitzondering van de truss versies al een hele kluif om te versjouwen. Kleinere dobsonkijkers zijn er ook, maar omdat een 20cm dobson al redelijk goedkoop te krijgen is, is het misschien het beste door te sparen tot deze binnen budget valt of tweedehands te kopen. Een ervaren waarnemer komt ook al heel goed uit de voeten met een 13cm newtonkijker, maar dit kan in een lichtvervuilde omgeving toch een beetje tegenvallen.

Een lenzenkijker kan met iets minder opening volstaan door het gebrek aan een secundaire spiegel. Voordeel van deep-sky is ook dat de kleurfout niet zo opvalt, dus een relatief grote kijker is mogelijk binnen beperkt budget. 10-15cm is een mooi formaat.

Voor planeten geldt eigenlijk hoe groter hoe beter. Je wilt zoveel mogelijk kunnen vergroten en nog een helder beeld overhouden om genoeg detail te zien. Is de kijker te klein dan gaat er contrast verloren en kun je niet optimaal genieten van wat planeten je te bieden hebben. 25-30cm objectief is een mooie maat, maar het liefste dan wel een systeem dat kan volgen. Een lenzenkijker kan met iets minder opening prima werken op planeten, maar vooral de goedkopere kijkers zullen dan een (hinderlijke) kleurfout laten zien.

Voor de maan is minder eigenlijk beter. Je hoeft dan geen filter te gebruiken en kunt genoeg details zien bij een vergroting van 200x. Deze vergroting is voor een 10-13cm kijker haalbaar. Meer vergroten kan natuurlijk ook. De maan toont dan absurd veel detail maar helaas beperkt de luchtonrust van onze atmosfeer de maximale vergroting meestal tot zo'n 250x. Grotere kijkers worden sowieso vaker gekocht voor deep-sky, en dat houdt vanzelf in dat er weinig naar de maan gekeken gaat worden.

Voor fotografie moet het geld vooral in de montering gestoken worden. De kijker is van minder belang, maar een snelle 20cm newton is een erg mooie astrofotografiekijker. Als een field flattener wordt gecombineerd met een snelle (semi-)apochromatische refractor dan is deze kijker ook zeer goed geschikt voor breedveldopnamen. Een objectiefgrootte van 8cm is al voldoende voor de mooiste plaatjes.

Is er dan ook nog eer te behalen voor nog kleinere kijkers? Jazeker, maar men moet het dan vooral houden bij de helderste objecten en veel details zullen er niet te zien zijn in de objecten. Open sterrenhopen, bolhopen en asterismen zijn dankbare onderwerpen voor een kleine kijker maar zullen veelal niet meer dan een 'pluisje' zijn tussen de sterren.

F-waarde[bewerken]

De F waarde is de verhouding tussen de diameter van het objectief en de brandpuntlengte. Hoe lager deze waarde, des te compacter de kijker(uitgezonderd de SCT, deze heeft een hoge F waarde maar is door het ontwerp zeer compact). Bij een newtonkijker wordt de F-waarde steeds kleiner naarmate de objectiefdiameter groeit. Dit wordt gedaan om de kijker nog enigszins compact te houden. Een lage f-waarde is echter niet altijd voordelig. F-waarden onder de 5 geven in een refractor een grote kleurfout. Bij het newton ontwerp geeft een lage F-waarde meer coma en het collimeren wordt lastiger omdat het nauwkeuriger moet gebeuren. Voor alle kijkers geldt dat de oculairen in een kijker met lage f-waarde beter gecorrigeerd moeten zijn. Dit maakt ze vele malen duurder dan de oculairen die goed zullen presteren in een kijker met waarde F10. Op lange termijn kan de F-waarde dus beduidende invloed hebben op de portemonnee. Kiest men voor een compacte newtonkijker met zeer lage f-waarde(4.5 of lager) dan moet bijvoorbeeld een paracorr worden aangeschaft en daarbovenop komen nog de prijzen van dure oculairen. In tegenstelling tot spiegels met lage F-waarde zijn spiegels met hogere F-waarde makkelijk te produceren, dit zie je dan ook terug in de prijs. Een 11 cm F8 spiegel is voor een appel en een ei te krijgen, maar de buis wordt dan wel al erg lang.

Als de keus gemaakt moet worden tussen een F5 of F6 newton moet men bijvoorbeeld kijken of de telescoop nog handelbaar is voor de persoon. Dit kan bij een F5 het geval zijn maar de F6 past misschien net niet op de achterbank van de auto. Als transport geen issue is dan heeft de F6 eigenlijk de voorkeur vanwege de minder storende invloed van coma, minder nauwkeurige collimatie en soms lagere prijs. Bij SCT is er niet veel te kiezen, deze kijkers zijn vrijwel altijd F10 of hoger. Refractors komen ook in allerhande f-waarden. Hier kan men een afweging maken tussen totale lengte en f-waarde. Door de kleinere objectiefgrootte die gangbaar is wordt een refractor meestal niet heel lang. Toch zijn refractors met hoge F-waarde erg onhandelbaar. Bij een hele lange refractor verandert de locatie van het oculair veel en/of stoot de buis tegen een poot van het statief. Kijkers van F6-F7 zijn wat dat betreft een goede keus tussen de extreme breedbeeldkijkers en onhandelbare 'gevallen'.

Algemeen kan worden gesteld dat voor grote beeldvelden een lage f-waarde (6.5 of kleiner) te prefereren is. De ondergrens ligt dan ongeveer op F5. In een newtonkijker is het coma dan nog niet heel storend en collimeren is nog te doen. In een refractor zal de kleurfout bij niet apochromatische kijkers wel al erg fors zijn. Voor planeetwaarneming zijn hogere F waarden geschikter. De kijker is van zichzelf al geneigd hoog te vergroten en de kleurfout wordt bij lenzenkijkers een stuk minder storend. Newtonkijkers worden dan wel erg onhandelbaar en zijn nauwelijks verkrijgbaar in hoge F waarde en grote objectiefdiameter dus als men alleen planeten wil kijken dan is een SCT of maksutov misschien een betere keus.

Brandpuntlengte[bewerken]

De brandpuntlengte bepaalt hoe groot de vergroting is die een oculair in de kijker geeft. Hoe langer de brandpuntlengte van de telescoop, des te hoger de minimale vergroting en kleiner het beeldveld dat zichtbaar is. In tegenstelling tot telescopen zijn oculairen maar in een beperkt aantal brandpuntlengten te krijgen. 40-55mm is eigenlijk wel het maximum. In een telescoop met brandpuntlengte 650mm geeft een 40mm oculair een vergroting van 16x. In een kijker met 4000mm brandpuntlengte geeft dit oculair een vergroting van 100x. Niet bepaald ideaal voor het opzoeken van objecten. Dit is ook een van de redenen waarom SCT's vrijwel altijd met goto geleverd worden. Ze hebben een heel nauw beeldveld, waardoor het zoeken van objecten lastig wordt. Een goto is echt een uitkomst dan. Hoe langer de brandpuntlengte, des te langer de telescoop (de SCT is wederom de uitzondering op de regel). Bedenk daarom voor aankoop wat de grootste/langste telescoop is die je makkelijk kunt vervoeren. Een 1.8meter dobsonbuis die niet in de auto past is niet erg handig. Bij refractors kan het waarnemen in zenit ook lastig worden als de kijker erg lang is. Het verschil in oculairhoogte is erg groot wat ofwel veel bukken en strekken tot gevolg heeft, of veel verstellen van de waarneemstoel. Beide niet ideaal. Bij extreem grote dobsons is een ladder nodig om bij het oculair te komen.

Bedenk ook dat de brandpuntlengte direct in verhouding staat tot de F-waarde. Als de diameter van het objectief maar groot genoeg wordt, dan is zelfs een F3.6 kijker een flink kanon met minimale vergroting van 100x. Voor grote breedvelden zijn brandpuntlengten tot zo'n 800mm bruikbaar, daarboven wordt het eigenlijk al te hoog om nog een ruim beeldveld in een relatief goedkoop oculair te krijgen. Een 2" focusser kan dan enige uitkomst bieden maar is geen alternatief voor een kijker met korte brandpuntlengte.

Voor planeetwaarnemingen zijn hoge brandpuntenlengtes juist gunstig. Een brandpuntlengte van 1500-2000 is een goede keus. Oculairen van 3-5mm geven dan een vergroting van om en nabij de 300-400x. Deze zijn ideaal voor planeten als Jupiter en Saturnus. Groot voordeel is ook dat de oculairen met korte brandpuntlengte (< 10mm) tot de goedkoopste van hun klasse behoren. Kiest men voor een kijker met 3000mm brandpuntlengte dan heeft men alweer een oculair nodig van 15mm brandpuntlengte voor 200x vergroting wat in budget weer een klein stapje omhoog is. Wordt de kijker nog langer dan worden de oculairen ook weer duurder voor de relatief lage vergrotingen.

Gangbare typen[bewerken]

Voor de volledigheid zijn de Smidt-Cassegrain en Maksutov-Cassegrain ook opgenomen in dit artikel, maar gezien hun prijs is er niet veel keus bij een beperkt budget. Voor deze kijkers moet gerekend worden op een budget dat het liefste ver boven de 1000 euro ligt.

SCT/maksutov[bewerken]

Een Schmidt-Cassegrain kijker levert door het gebruik van 2 spiegels en een lens een zeer compact ontwerp op. Het optische pad wordt als het ware opgevouwen. Door de 3 optische delen op elkaar af te stemmen is het mogelijk om optische abberaties tot een minimum te beperken maar deze optische elementen zorgen er ook weer voor dat het geheel boven de 8" relatief zwaar wordt. De kleinere varianten zijn door hun formaat echter zeer transportabel. Door het dubbele weerkaatsen van de lichtbundel is de brandpuntlengte van dit type kijkers altijd vrij lang. F-waarden van 10 of hoger zijn gangbaar. Als gevolg worden deze kijkers eigenlijk bijna altijd met een goto geleverd omdat de kijker een erg nauw beeldveld heeft wat het zoeken van objecten moeilijk maakt. Voor uitgestrekte objecten is dit type kijker daarom niet geschikt. Ook met 2" breedveldoculairen wordt het beeldveld niet heel groot. Voor kleine(re) deep-sky objecten en planeten is deze kijker echter zeer geschikt.

De maksutov kijker maakt gebruik van een gebogen lens ipv een vlakke lens aan de voorkant. Hierdoor is een nog compactere bouw mogelijk en kan de de obstructie nog iets verkleind worden tov een S-C wat leidt tot meer contrast wat het een ideale planeetkijker maakt. De kijker wordt echter nog lastiger te produceren en zwaarder. Gelukkig is dat bij de gangbare objectiefdiameter van maksutov kijkers nog niet zo'n probleem. Deze kijkers hebben zelden een diameter groter dan 15cm en als ze dat wel hebben zijn ze heel duur. Zowel de SCT als de Maksutov maken gebruik van het verschuiven van de hoofdspiegel om scherp te stellen. Dat maakt nauwkeurig scherpstellen mogelijk, maar kan ook leiden tot lichte kanteling van de hoofdspiegel. Het scherp te stellen object lijkt dan een heel klein beetje te verspringen.

Nadeel van het gesloten systeem met lens aan de voorkant is dat er relatief veel lucht in zit die maar langzaam afkoelt. Het eerste uur van een sessie kijkt men vooral door de warme lucht in de buis en de rest van de sessie is het niet uitgesloten dat de temperatuur in de buis de omgevingstemperatuur nooit zal aannemen. Gelukkig zijn er inmiddels ook kijkers leverbaar met interne ventilatie. Een ander probleem met deze kijkers is dat er makkelijk dauw vormt door het verschil in omgevingstemperatuur en de correctorlens. De kijker is dan niet meer bruikbaar tenzij voorzieningen getroffen worden om de correctorlens te ontwasemen. Een voordeel is wel dat er geen stof in het optisch systeem komt.

  • voordelen

-compacte bouw

-geen starspikes

-mogelijkheid tot 'perfecte optiek'

  • nadelen

-matige opening/prijs verhouding

-door lange brandpuntafstand zeer klein beeldveld

-dauwproblemen door lens aan de voorkant telescoop

-afkoeling gaat zeer langzaam waardoor beelden lang onscherp blijven

Lenzenkijker[bewerken]

De lenzenkijker weerkaatst licht niet maar buigt het enkel. Zoals te zien is bij een prisma waar licht ook wordt afgebogen levert dit verstrooïng van de kleuren op. Elke refractor heeft dus een kleurfout maar dit is te corrigeren, al kost dit nogal wat geld om te bewerkstelligen met duurdere glassoorten en/of coatings. Door het gebruik van glas om een scherp beeld te krijgen is er geen secundaire spiegel nodig om het licht bij het oculair te krijgen. Dit levert maximaal contrast waardoor deze kijkers ideale planeetkijkers zijn. De productie van nauwkeurig geslepen lenzen is echter lastiger dan die van spiegels waardoor refractors relatief duur zijn voor de grootte van het objectief. Kijkers boven de 15cm zijn een zeldzaamheid en sowieso erg duur. Een 30cm lenzenkijker kost bijvoorbeeld rond de anderhalve ton. Laat staan, dat je die nog in je eentje ergens naartoe kunt nemen. Ondanks de hoge prijzen voor grote kijkers beleeft de lenzenkijker een kleine wederopstand tegenover het dobson geweld omdat de prijzen bij kijkers van 10-13cm inmiddels mede door de hulp van Chinese producenten aardig is gedaald de afgelopen jaren. Soortgelijke kijkers zijn al voor 1000-1500 euro verkrijgbaar. Een ander (klein) nadeel van de refractor is dat vooral bij niet optimaal gecorrigeerde lenzen het infrarood en vooral het UV licht extreme verstrooïng kunnen laten zien. Visueel kan de telescoop daarom best prima beeld geven, maar zodra er gebruik wordt gemaakt van een CCD-chip worden de beelden onbruikbaar. Als men een refractor wil voor astrofotografie dan zijn de apochromatische kijkers het beste geschikt (helaas zijn deze kijkers ook het duurst). Ook visueel behaalt men er dan wat voordeel bij want door de extra len(s/zen) wordt het beeld iets beter gecorrigeerd. Toch is voor astrofotografie een field flattener zeer aan te raden. Meestal wordt gebruik gemaakt van een zenitprisma(spiegel) om de inkijk te vergemakkelijken. Zonder zenitprisma/spiegel moet je namelijk bijna op de grond gaan liggen wil je iets in zenit waarnemen. Dit geldt vooral voor refractors met lange brandpuntafstand. De diagonaal spiegelt het beeld verticaal waardoor een rechtopstaand beeld ontstaat wat prettig werkt, links en rechts zijn wel omgedraaid. Een amiciprisma spiegelt het beeld nog eens extra op de horizontale as. Het beeld komt dan overeen met wat je op de sterrenkaart of met het blote ziet. De gebruiker hoeft zo geen mentale omschakeling te maken. Let wel op: een goede 2" diagonaal kan ook aardig in de papieren lopen en amiciprisma's werken over het algemeen het beste op kijkers met lange brandpuntlengte en bij de wat lagere vergrotingen. Net als de Schmidt Cassegrain telescoop is een refractor gevoelig voor dauw maar omdat de totale inhoud van de kijkerbuis veel minder is dan de inhoud van een SCT zal de lucht sneller afkoelen. Hierdoor is een refractor een ideale grab&go telescoop. Je zet hem buiten en je kunt vrijwel direct beginnen met waarnemen hoewel lensdelen met ongelijke temperatuur in de eerste minuten altijd leiden tot astigmatisme. Ander voordeeltje van het beperkte formaat is dat de refractor minder gevoelig is voor luchtonrust. Je kijkt als het ware door een kleiner stukje lucht waardoor het beeld stabieler lijkt dan in een grote kijker.

  • voordelen

-hoogste contrast dat haalbaar is

-geen starspikes

-nauwelijks collimatie nodig

-gesloten ontwerp waardoor nauwelijks schoongemaakt hoeft te worden

-door lage aantal optische elementen in de buis minder gevoelig voor luchttrillingen dan SCT

-minder gevoelig voor luchtonrust (door de kleinere objectiefgrootte)

  • nadelen

-kleurfout is altijd aanwezig vooral bij lagere F waarde

-fabricage is lastig met als gevolg relatief hoge prijs

-kleurgecorrigeerde lenzenkijkers zijn absurd prijzig

-lenzen groter dan 20cm doorsnee zijn eigenlijk niet commercieel haalbaar te produceren

-ongunstige oculairpositie bij waarnemen nabij zenit.

-voorste lens is enigszins gevoelig voor dauw

Newton[bewerken]

De newtonkijker is wat betreft ontwerp extreem simpel en is ook heel makkelijk te maken. Veel amateurs hebben hun eigen spiegel geslepen en hun eigen newton gebouwd. Door deze eenvoud is dit ook het goedkoopste type kijker. De prijs/objectiefdiamter verhouding is daarom het beste bij deze kijker. Op dit moment zijn 40cm telescopen al redelijk betaalbaar. Daarboven worden ze wel exponentiëel duurder, maar een aantal jaar terug was een 40cm amateurkijker nog ondenkbaar. Ondanks de relatief hoge prijs is een 50cm newtonkijker voor 1/5e van de prijs van een SCT met die grootte te krijgen. Nadeel is wel het verlies van contrast door de secundaire spiegel en de spidervanes (de ophanging van de secundaire spiegel). De secundaire spiegel blokkeert een deel van het invallende licht maar dit valt normaal niet op omdat het object oneindig ver weg staat en een ster een heel klein puntje is. De ophanging van de secundaire spiegel zorgt wel voor waarneembare gevolgen. Elke ster heeft zogenaamde starspikes. Meestal een horizontale en verticale lijn door de ster, afhankelijk van het design. Het is mogelijk om de starspikes weg te krijgen door een gebogen spider te gebruiken maar ondanks dat men de spikes dan niet meer ziet vindt er toch verstrooïng van het licht plaats. De secundaire spiegel moet ook correct uitgelijnd worden met de hoofdspiegel. Als de assen van de newton niet goed zijn afgesteld dan wordt het beeld (vooral bij lagere F-waarden) erg gauw slecht. Voor deep-sky is deze bouw echter nauwelijks te kloppen voor de prijs, wat de populariteit van de dobson telescoop verklaart: een newton op dobson montering. Op planeten presteert een dobson met gelijke opening minder goed dan een refractor maar door de afwezige kleurfout en het verschil in prijs kan men het lagere contrast compenseren met een grotere spiegel. Een 20cm dobson laat in veel gevallen meer details zien dan een 15cm refractor en is ongeveer de helft goedkoper. Vergeleken met een kleurgecorrigeerde refractor is een 20cm dobson een koopje. Nadeel van de dobson is wel de montering. Deze volgt objecten in de meeste gevallen niet automatisch en daarom zijn hoge vergroting planeetwaarnemingen iets meer werk dan bij een EQ montering met motoren. Platforms voor dobsons die volgen zijn verkrijgbaar maar duur. Gelukkig is er inmiddels ook al een fabrikant die dobsons uitbrengt met een volgsysteem op beide assen. Dit systeem is echter wel redelijk prijzig.

  • voordelen

-geen kleurfout

-simpel van ontwerp

-relatief goedkoop

-zeer grote objectiefgrootte haalbaar binnen amateurbudget

-door open systeem koelt de spiegel relatief snel af

  • nadelen

-collimatie komt heel nauw bij lagere f-waarden

-starspikes en verlies van contrast door secundaire spiegel

-op een EQ montering zit het oculair telkens op een andere plek

-open ontwerp waardoor stof zich verzamelt op de spiegeloppervlakten

-wordt erg lomp bij grotere objectiefdiamter.

-secundaire spiegel gevoelig voor dauw (maar stukken minder dan een SCT)

Truss of niet[bewerken]

Voor de grotere formaat kijkers (in het bijzonder de newton/dobson kijkers) is er ook de optie voor een truss design zoals een meade lightbridge. Dit is een open ontwerp waarbij de twee spiegels in aparte delen zitten, verbonden met stangen. Dit systeem is vooral ontworpen voor de allergrootste dobsonkijkers waarbij het ondoenlijk was het geheel in een keer te verplaatsen of mee te nemen. Voor kijkers tot 30cm is dit systeem eigenlijk niet heel noodzakelijk, meestal betaal je er ook extra voor namelijk. Ze kosten iets meer tijd om op te stellen maar bieden het voordeel dat het geheel niet zoveel plaats in hoeft te nemen in de auto of de woonkamer, waar de telescoop misschien wel 200 dagen per jaar staat te niksen. Ook voor minder fysiek fitte mensen kan deze optie een uitkomst zijn. Het is dus vooral afhankelijk van de situatie of deze optie interessant is en of de extra investering zijn geld waard is. Een nadeel van de truss telescoop is dat er makkelijker strooilicht het systeem binnen kan dringen. Op een lichtvervuilde locatie moet dan gebruik gemaakt worden van iets dat dit licht buiten de telescoop houdt. In sommige gevallen wordt een dergelijk 'light shroud' met de telescoop meegeleverd. Dauw treedt over het algemeen ook iets eerder op dan in de newton kijkers met gesloten ontwerp. Tot slot moet de verbinding tussen het deel met de hoofdspiegel en de secundaire spiegel goed zijn uitgevoerd anders gaat de collimatie bij het afstruinen van de hemel verloren. Dit is vooral op kijkers met een lage f-waarde catastrofaal voor de beeldkwaliteit.

Montering[bewerken]

De montering is een onderdeel dat vaak onderschat wordt. Het is de basis van de telescoop. Is de montering gammel, dan is de telescoop gammel en het beeld niet ideaal. Een goede montering kost geld, een zeer goede montering zeer veel geld. Bezuinig daarom niet op een montering, of kies voor een montering die specifiek voor een bepaald doel is gemaakt en daarin excelleert. Voor beginners met beperkt budget is een dobsonmontering ideaal omdat deze heel goedkoop is te maken en toch goed functioneert. Zo blijft meer geld over voor een grote telescoop. Men krijgt er echter ook een paar nadelen bij zoals het gemis objecten makkelijk te volgen. Daarom is deze montering niet voor ieder gebruiksdoel geschikt. En zo geldt hetzelfde voor andere monteringen.

Soorten[bewerken]

Er zijn simpel gezegd twee soorten monteringen verkrijgbaar. De azimutale montering en de equatoriale montering (EQ). De azimutale montering werkt met een horizontale en vertikale as. Bij een equatoriale montering is de hoofdas gekanteld en op de poolster gericht. Hierdoor hoeft maar op 1 as gevolgd te worden als er een object eenmaal mee gevonden is. Het grootste voordeel van de equatoriale montering is dat deze, mits van voldoende kwaliteit, in staat is een object urenlang zeer nauwkeurig te volgen. Dit is een zeer groot plus voor astrofotografie.

Voorwaarde is wel dat de montering eerst wordt uitgelijnd op de poolster. Dit hoeft niet heel precies voor visueel waarnemen, maar kost toch weer wat tijd. Het voordeel is dan wel dat als het object eenmaal in beeld is, kan worden volstaan met het draaien aan een comfortabel grote RA knop om het object te volgen. Dit werkt zeer prettig en maakt langdurig ontspannen waarnemen mogelijk. Een flink contrast met de dobsongebruiker die elke 10-30 seconden het object opnieuw in het midden van het beeldveld moet centreren. Voor dobsons kan men zelf een volgplatform bouwen of kopen, maar vanwege de hoge prijs van deze kant en klaar platforms kan men misschien beter opteren voor een grote EQ montering met goto. Voor fotografische doeleinden moet nauwkeuriger uitgelijnd worden op de werkelijke pool. De poolster staat hier namelijk iets vanaf. Dit kost met een EQ systeem uiteraard meer tijd. Gecomputeriseerde monteringen zoals op gangbare SC-Telescopen zijn hierin wat makkelijker omdat slechts een paar sterren opgezocht hoeven te worden. De computer rekent dan vanzelf de juiste locatie van de pool en bijbehorende bewegingen uit. De montering moet wel op het noorden gericht worden uiteraard.

Het allergrootste nadeel van de EQ-montering is dat door de scheve stand van de hoofdas een tegengewicht nodig is om het geheel in balans te houden. Dit betekent dus dat als je een kijker van 10 kilo hebt, je vaak ook een tegengewicht van ergens in die buurt nodig hebt. Ook moet de kijker op beide assen uitgebalanceerd worden, want de wrijving is over het algemeen niet makkelijk instelbaar. Sowieso belast een slecht uitgebalanceerde kijker de montering onnodig wat onnauwkeurigheid en extra slijtage geeft. Het kan soms lastig zijn om de kijker perfect in balans te krijgen, vooral bij het gebruik van verschillende accessoires zoals zoekers of grote oculairen. Een dobson montering hoeft maar op 1 as gebalanceerd te worden en het instellen van de wrijving heeft verder geen negatieve gevolgen voor de gebruikte componenten. Door het tegengewicht kan het totale gewicht dat je meeneemt in het nadeel van een kleinere telescoop met EQ montering uitvallen. Een 13cm newton op EQ2 weegt door het tegengewicht van 5 kilo in totaal 15 kilo; hetzelfde als een 8” dobson. Bij grotere telescopen en stabielere monteringen kan het gewicht nog extremer uitvallen, het zorgt in grote mate voor stabiliteit en elimineert vibraties. Er is echter ook een systeem in de maak dat gebruik maakt van veerspanning om het geheel stabiel te houden. Dit maakt het gebruik van een tegengewicht overbodig maar dit systeem is ook weer flink duurder en bevindt zich nog in de experimentele fase.

Voor visueel en handmatige gebruik heeft het RA/DEC systeem als nadeel dat de beweging tegenintuïtief is. Deze maakt het lastig objecten te vinden maar met wat oefening komt men er uiteindelijk wel. Een dobsonmontering kan veel sneller verschillende objecten op grote afstand van elkaar bekijken. Vooral bij een newton is een EQ montering bij visueel gebruik lastig omdat de hoogte en locatie van het oculair constant wisselt. De buisringen moeten dan telkens weer losgemaakt worden om het oculair op een werkbare hoogte/locatie te krijgen. Het is daarom handig om een duidelijk waarneemplan te maken voor de sessie zodat zo min mogelijk grote afstanden afgelegd worden. Het liefste nog zo dat het volgende object op een vrijwel gelijke hoogte aan de hemel staat. Voor wat spontaan waarnemen is een EQ montering mede door de opzettijd minder geschikt. Hiervoor zijn SCT en refractors veel geschikter. Doordat de focusser gecentreerd achter op de buis zit, hoeft alleen het zenitprisma wat gedraaid te worden. Dit is vele malen minder bewerkelijk dan het draaien van de telescoop zelf, wat weer tot balansproblemen kan leiden. Een ander voordeel van SCT kijkers is, dat deze vaak op een vorkmontering geleverd worden, hierdoor wordt het geheel niet nog zwaarder dan het al is en het is ook uitgesloten dat de kijkerbuis tegen de poten van de montering aankomt. Iets wat wel eens vaker wil gebeuren bij newtonkijkers en refractors omdat de buis over het algemeen een stuk langer is.

Een ander nadeel van de EQ montering is nog de prijs. Het minimum voor een goede EQ montering is wel zo'n 250 euro. Minder dan dat is alleen werkbaar bij compacte en lichte (en vooral kleinere) telescopen die alleen voor visueel gebruik of korte fotografische sessies worden ingezet. Als de telescoop groter wordt, neemt de prijs van de montering buitenproportioneel toe. De prijs voor een topmontering kan vele duizenden euro's bedragen en stukken duurder zijn dan de telescoop die erop gemonteerd is. Helaas is ook niet voor elke telescoop een montering te vinden. Tenminste niet als men liever een auto koopt ipv een montering. Zelfs de duurdere monteringen bieden geen plaats aan telescopen veel groter dan 30cm. Dit komt door het gewicht van de telescoop en de bijbehorende tegengewichten die eraan moeten hangen en dan mag de telescoopbuis ook nog niet heel ver buiten de assen uitsteken. Wil men een kijker boven de 30cm op EQ montering dan is men bijna automatisch overgeleverd aan een SCT of er moet nog ergens 10.000 euro in een sok verstopt zitten. Voor dat bedrag gaat het namelijk wel. SC telescopen kunnen door hun compacte bouw nog goed op de betaalbare monteringen gezet worden. Grote newtons kunnen bijna niet op een EQ montering. Een newton groter dan 30cm zul je dan ook vrijwel altijd op een dobsonmontering tegenkomen. Deze montering kent eigenlijk nauwelijks een limiet voor de grootte van de telescoop die erop kan. Mede ook door de prijs is een dobson montering erg interessant voor een beginner en een betere keus dan een EQ montering als het budget beperkt is.

Er zijn ook zogenaamde alt-az gemotoriseerde monteringen. Ze hebben geen tegengewicht nodig, zijn dus makkelijk verplaatsbaar, snel op te zetten en eenvoudig uit te lijnen op de pool met hulp van de computercontroller. Deze kijkers werken het beste voor visueel gebruik omdat ze door de stand van de assen geen rekening houden met de draaïng van de objecten in beeld. Voor fotografische doeleinden moet dit dan weer gecorrigeerd worden met een field-derotator die de camera met de tijd meedraait. Ook zijn deze systemen iets minder stabiel dan een echt goede EQ montering, die vaak door de minder ingewikkelde elektronica flink goedkoper kan uitvallen. Wil men uiteindelijk gaan fotograferen dan is het waarschijnlijk verstandiger door te sparen voor een goede EQ montering.

Algemeen genomen kan dus gesteld worden dat een alt-az(inclusief dobson) montering beter geschikt is voor spontane waarneemsessies terwijl een EQ montering voor visueel gebruik eigenlijk het beste werkt als deze gemotoriseerd is en beschikt over goto zoals een Meade LXD75. Voor fotografisch werk is een EQ montering met motoren op beide assen ook de betere keus.

Verschillen in dobsonmonteringen[bewerken]

De gangbare merken Skywatcher, GSO en Orion hebben allemaal een ander systeem om de hoogteas van de telescoop af te stellen en het geheel kunstmatig in balans te houden. Orion werkt met hoogtelagers die gebruik maken van wrijving. Deze wrijving is eenvoudig in te stellen met een draaiknop. GSO werkt voornamelijk met spanveren die ook versteld kunnen worden en Skywatcher heeft de zogenaamde friction control handle. Een handvat waaraan de telescoop kan worden opgepakt en de hoogtelagers kunnen worden ingesteld. Alle systemen werken naar behoren. Als beginner maakt het eigenlijk niet zoveel uit welk systeem jouw dobson heeft. Je went er vanzelf wel aan. Mijn ervaring is, dat als je eenmaal iets gewend bent, het gebruik van het andere systeem even vreemd overkomt. De meeste mensen zullen dan ook positief zijn over het systeem dat ze als eerste hebben leren gebruiken. Alleen de truss-dobsongebruikers die een vrijwel perfect uitgebalanceerde telescoop hebben zijn helemaal niet te spreken over deze systemen. Hun dobson is bij ontwerp zo gemaakt dat het geheel vrijwel perfect gebalanceerd is en heeft die kunstgrepen niet nodig alhoewel sommige ook gebruik maken van een veer om de spanning te regelen. Mijn ervaring is, dat een veer vaak toch wat stug reageert. Het is bruikbaar, maar zal meer met schokken gepaard gaan. Bij het zoeken van een object waarbij kleine bewegingen nodig zijn werkt dit zowel in het voordeel als het nadeel. Bij elk systeem moet de initiële wrijving eerst overwonnen worden om de beweging in gang te kunnen zetten, afhankelijk van de instelling die de gebruiker gewoon is zal dit met een kleinere of grotere schok gepaard gaan. Als de wrijving hoog is, zal de initiële schok groot zijn, maar de beweging daarna redelijk makkelijk te controleren zijn. Is de wrijving laag, dan is de initiële schok klein, maar de nauwkeurigheid ook lager. Samengevat: al deze systemen werken naar behoren en de een is niet noemenswaardig beter dan de ander te noemen maar het gebruik hangt vooral af van de persoonlijke voorkeur of een systeem stroef of soepel loopt en welk systeem men gewend is.

to goto or not to goto[bewerken]

Of je als beginner goto wilt of niet is ook een persoonlijke afweging die je moet maken. De discussie of goto nu wel of niet zinnig is verdeelt de amateur-astronomen altijd in 2 kampen. Je hebt de fervente starhoppers die beweren dat het zoeken meer dan de helft van de 'fun' van de hobby is en zeer zeker meer voldoening geeft. Het andere kamp zijn de goto-ers die door hun goto veel meer quality time doorbrengen met het daadwerkelijk kijken naar interessante objecten. Starhoppers verwijten goto-ers dan weer dat deze lui zijn en zo gaan de beledigingen en argumenten waarom de een beter is dan de ander nog wel even door. Er is ook geen uitspraak te doen wat nu beter is.

Wat wel een feit is, is dat een goto een flinke hap uit het budget snoept. Vooral als het budget beperkt is leidt dit altijd tot minder objectief van de telescoop dan wanneer men zou kiezen voor een simpele dobson montering. Voor het geld van een 25cm dobson heb je een 15cm met goto. In lichtvangend vermogen ga je er voor de goto bijna een factor 3 op achteruit. Als deep-sky je voornaamste insteresse heeft misschien niet de juiste keuze.

Een ander iets dat niet vergeten moet worden, is dat ook een goto moet worden gecalibreerd. Er bestaat op dit moment nog geen systeem dat je gewoon buiten kunt zetten en zelf bepaalt waar het zich bevindt en op welk deel van de hemel het gericht is. Er is altijd gebruikerinput vereist om de montering correct uit te lijnen. Voor een ervaren gebruiker geen probleem, maar een beginner die de hemel nog voor geen meter kent, kan zich zonder deze informatie best verkijken op wat het gebruik van een goto in de praktijk inhoudt. (N.B. Meade schijnt recentelijk een systeem te hebben uitgebracht op hun ETX serie dat zichzelf helemaal automatisch uitlijnt. Bij dit systeem hoeft dus geen calibratie te worden uitgevoerd. Hoe nauwkeurig dit systeem in de praktijk is, is op dit moment nog onduidelijk door ontbreken van gebruikerservaring. De telescopen zijn vanaf zo'n 1300 euro te koop, dus buiten budget van dit artikel).

Tot slot heb je voor een goto stroom nodig. Dit gaat al dan niet met accu's die moeten worden opgeladen of een stopcontact of aanstekeraansluiting in de auto. Een voldoende grote accu weegt vaak ook de nodige kilo's, wat het verschil tussen een handmatige montering zoals een dob en EQ met goto nog meer in het voordeel van de dob doet uitslaan. Stroom zal thuis niet zo'n probleem zijn, maar als tijdens een waarneemsessie op een afgelegen locatie een van de stroomvoorzieningen het begeeft, bijvoorbeeld door lage temperaturen, dan is de waarneemsessie voorbij. De assen van de montering kunnen in zo'n geval wel gedeblokkeerd worden om objecten te zoeken, maar ik vraag me af hoeveel goto-ers hun telescoop al eens op die manier hebben gebruikt.

Objectlocators[bewerken]

Een objectlocator is eigenlijk een simpele versie van goto en worden ook wel 'push-to' genoemd. In dit geval zal het object door de gebruiker zelf moeten worden gevonden(door de kijker te duwen) maar krijgt hij/zij hulp van de locator. Deze geeft aan hoever de telescoop van een bepaald te zoeken object afstaat en in welke richting de telescoop geduwd moet worden om het object te vinden. Als het object eenmaal gevonden is, volgt de montering het object ook niet verder. Dit moet handmatig gedaan worden. De meest gangbare montering voor een objectlocator is een dobsonmontering. Een EQ montering is altijd wel uit te rusten met motoren op de assen. Bij een dobson kan dat ook, maar dit vereist beduidend meer werk en handigheid. Ook voor de objectlocator geldt dat deze eerst uitgelijnd moet worden op een paar heldere sterren. Doordat de objectlocator bepaalde functionaliteit mist tov een 'echte' goto is deze ook vaak goedkoper. Telescopen die erop zijn gebouwd zijn meestal voor 150 euro uit te rusten met een objectlocator. Het toevoegen van een goto aan een bestaande EQ montering kan echter gauw 400 euro kosten. Voor standaard visueel waarnemen is een objectlocator voldoende, maar het volgen van een object kan vooral op hoge vergrotingen erg fijn zijn. Als de voornaamste interesse ligt bij het planetaire waarnemen dan is een montering die volgt zeker het overwegen waard maar zoals eerder gemeld gaat dit dan weer ten koste van de opening van het instrument. Devies is dan beter nog even doorsparen zodat het een niet ten koste van het ander gaat. Wat wel nog voor zowel goto's als push-to's geldt, is dat men nogal optimistisch is over de zichtbaarheid van objecten. Sommige objectlocators hebben meer dan 100.000 objecten in de database staan, maar de meeste daarvan zijn niet of nauwelijks zichtbaar in een lichtvervuilde tuin. Dit kan dus ook tot teleurstelling leiden als men hier niet op voorbereid is, vooral als de telescoop klein is uitgevallen om binnen budget te blijven, zoals een ETX70 of 90.

Focussers[bewerken]

Bij de aankoop van een telescoop kan de focusser ook best invloed hebben. Een slechte focusser kan de pret aardig drukken want als je objecten niet scherp in beeld krijgt heb je weinig plezier van je telescoop. Focussen is ook niet iets zoals collimeren dat je 1 keer in de zoveel tijd doet.

Soorten[bewerken]

Er zijn zogenaamde rack&pinion focussers en crayford focussers.

De rack & pinion focusser heeft een tandheugel aan de onderkant van de focusserbuis. Dit is een metalen staaf met tandjes. Een tandwiel grijpt hier dan in als aan de focusknop wordt gedraaid. Hierdoor kan men scherpstellen (let op: niet vergroten, dat doe je met oculairen). Het belangrijkste nadeel van een rack & pinion focusser is de zogenaamde ‘image shift’. Dit houdt in dat als je de draairichting van de knop verandert, het beeld iets lijkt te verschuiven. Dit wordt veroorzaakt doordat de tandjes op het tandwiel kort geen contact maken met de tandjes op het tandheugel. Wanneer de tanden weer ineengrijpen verspringt de focusserbuis een klein beetje in de vatting waardoor het beeld iets verspringt. Dit is op lage vergrotingen niet zo storend, maar op hoge vergrotingen kan het erg frustrerend werken omdat door het verspringen eigenlijk te ver wordt gefocusd waardoor men weer opnieuw moet beginnen. Een andere bijkomstigheid is dat dit systeem niet supernauwkeurig is. Op hoge vergrotingen kan het lastig zijn om scherp te stellen omdat de beweging relatief ‘lomp’ is.

Om deze nadelen te ondervangen is daarom een crayford focusser uitgevonden. Hierbij is de onderkant van de focusbuis afgevlakt en maakt deze contact met een stang met een stuk rubber of iets anders stroefs. Dit zorgt ervoor dat ongeacht welke kant opgedraaid wordt met de focusknop, er altijd contact is tussen de buis en de as die met de focusknop in verbinding staat. Imageshift is hierdoor uitgesloten(als het systeem goed is afgesteld). Een ander groot voordeel is, dat dit systeem niet gesmeerd hoeft te worden. Een rack&pinion systeem heeft altijd iets van vet op de tandwielen om onnodige slijtage te voorkomen. Het vet zorgt ook voor een bepaalde stroefheid en verzamelt natuurlijk stof en droogt op den duur uit waarna het weer vervangen moet worden. Dit klusje stelt niks voor, maar is toch een nadeel t.o.v. de crayford focusser. Als voor eenzelfde of kleine meerprijs een crayford beschikbaar is, dan is het raadzaam deze te kiezen.

Er zijn ook zogenaamde helical focussers. Deze worden toegepast als de ruimte beperkt is, bijvoorbeeld op hele kleine telescopen. Scherpstellen vindt dan plaats door het oculair in focusserbuis te verschuiven door de vatting. Men zal dit type focusser overigens weinig tegenkomen bij beginnerstelescopen.

Diameter[bewerken]

De diameter van focussers is een ander belangrijk punt. De meest gangbare maten zijn 2” en 1.25” focussers op de markt.

Het verschil is de oculairen die erin passen. In een 2” focusser passen oculairen met een groter beeldveld. Toch zul je op niet alle telescopen een 2” focusser vinden. Vooral bij newton telescopen tot 15cm komt een 2” focusser eigenlijk niet voor. Dit komt door het ontwerp van de telescoop. Er is een secundaire spiegel nodig die het licht naar buiten richt. Als je gebruik wilt maken van een 2” focusser met oculairen dan moet deze secundaire spiegel groot genoeg zijn om voldoende licht naar buiten te kaatsen. Bij kijkers tot 15cm kan hierdoor een groot deel van het lichtvangend vermogen verloren gaan. Hoe groter de secundaire spiegel, des te meer invallend licht wordt geblokkeerd. Het is dus raadzaam de secundaire spiegel zo te kiezen dat deze het oculair geheel verlicht, maar zo min mogelijk licht van de hoofdspiegel blokkeert. Daar komt ook nog bij dat 2” oculairen op telescopen tot zo’n 15cm niet echt nodig zijn. Met 1.25” oculairen kan men bij de meeste telescopen een goed bruikbaar zichtbaar beeldveld krijgen. Bij grotere telescopen zal ook de brandpuntlengte groter worden, waardoor de vergroting van hetzelfde 1.25” oculair hoger is dan bij de kleine telescoop en het beeldveld navenant kleiner. Kan men echter gebruik maken van 2” oculairen, dan is dit effect deels te compenseren. In een 13cm/F5 kijker geeft een 1.25” 32mm plössl bijvoorbeeld 2.5 graden zichtbaar beeld, in een 30cm/F5 is dat beeldveld 1.17 graden. Met een 2” oculair kan dit tot zo’n 1.7 graden worden opgerekt maar een kleine kijker kan meestal meer van de hemel tonen dan een grote kijker. Bij refractors is een 2” focusser vaak ook al onder de 10cm objectief verkrijgbaar omdat er geen secundaire spiegel is. Soms is er zelfs een aansluiting voor 2.5 of 3” camera's beschikbaar. Deze zijn vooral voor astrofotografie geschikt, maar presteren ook uitstekend voor visueel gebruik nadat er een adapter voor oculairen opgezet is. . Op Cassegrain telescopen is de grens van 15cm objectief ook gangbaar voor een 2” focusser, maar zelfs met 2” oculairen blijft het behelpen door de zeer lange brandpuntafstand.

Het verloop van 2" naar 1.25" gebeurt door middel van een adapter. Deze kan eenvoudig in of uit de focusser gehaald worden. Hierin zit ook nog verschil, sommige hebben de mogelijkheid tot het inschroeven van filters, of zijn extra laag om de meer exotische oculairen in focus te krijgen. Allebei zaken die voor een beginner niet direct interessant zijn.

Focusseropties[bewerken]

Gangbare opties van een focusser zijn motorfocus en een filterwiel/filterschuif. Motorfocus is niet meer dan een elektromotortje dat de as van de focusser bedient aan de hand van een kastje met knopjes. De gebruiker kan zo heel nauwkeurig scherpstellen omdat verschillende snelheden makkelijk te kiezen zijn. Voor mensen met slechte fijne motoriek kan dit een uitkomst zijn maar in de praktijk van het visuele waarnemen wordt motorfocus nauwelijks gebruikt. Voor astrofotografie kan het handig zijn omdat de kijker niet hoeft worden aangeraakt om eventueel een beetje opnieuw scherp te stellen, zo worden trillingen tot een minimum beperkt. De gangbare focussermerken bieden voor ongeveer 100 euro meerprijs motorfocus aan op bepaalde modellen.

Een filterwiel/schuif maakt het mogelijk filters binnen in de focusser heen en weer te schuiven of draaien. Zo hoeft men niet het oculair uit de focusser te halen om er een filter in te schroeven. Zowel voor visueel als fotografisch gebruik kan dit voordelen bieden. Visueel vooral als men deep-sky nevels bekijkt die profijt hebben van een OIII of UHC filter. En fotografisch kan het belichten in verschillende kleuren dmv kleurfilters vergemakkelijkt worden. Een schuif kan men ook makkelijk zelf maken en in de buis installeren. Een filterwiel heeft nog als voordeel dat de filters afgesloten zitten in het wiel waardoor er geen vocht/stof op de oppervlakten kan komen. Helaas zijn zowel een filterschuif(+/- 100 euro) als filterwiel(+/-250 euro) niet goedkoop.

Materiaal[bewerken]

Tot slot nog iets over het materiaal waar de focusser van gemaakt is. Op goedkope telescopen is dit vaak plastic, duurdere modellen hebben vaker metalen examplaren. In de praktijk maakt dit eigenlijk niet veel verschil, ze werken allebei naar behoren. Het nadeel van plastic is dat er nogal eens iets kan afbreken als ergens tegenaan gestoten wordt tijdens transport. Crayfordfocussers van plastic bestaan niet, maar dat mag ook wel voor hun gangbare prijs. Op de meeste goedkopere telescopen vind je daarom geen crayford focusser en meestal een plastic exemplaar. Gelukkig kan een focusser later makkelijk vervangen worden voor een betere. Voor de aankoop is het materiaal niet zo belangrijk. Tegenwoordig worden ook zelfs de budgettelescopen met kwaliteitsfocussers uitgerust. Bij de aankoop van 2e hands kan het nog wel eens voorkomen dat men te maken heeft met een ouderwets exemplaar. Dan kan het handig zijn verder te kijken of een upgrade bij de hand te houden.

Zoekers[bewerken]

Een telescoop zonder zoeker is eigenlijk niet bruikbaar. Het is daarom ook niet verrassend dat elke kijker uitgerust met een zoeker wordt geleverd. Er zijn verschillende systemen om objecten te zoeken. Deze kunnen ingedeeld worden in de red-dot finders en optische finders.

Red Dot finder[bewerken]

De red dot finder bestaat uit een schermpje waar dmv een lampje een puntje op wordt geprojecteerd. De luxere modellen bieden ook de mogelijkheid tot het projecteren van cirkeltjes, driehoekjes en bijvoorbeeld een kruisje. Als langs de telescoop wordt gekeken met beide ogen open (en 1 oog door het schermpje) dan kan men het puntje zien als ware het op de hemel geprojecteerd. Als de red dot finder goed is uitgelijnd dan staat het object dat door het rode puntje wordt aangewezen ook in het beeldveld van het oculair van de telescoop. Vaak is ook de intensiteit van het rode puntje in te stellen zodat het niet al teveel stoort met het nachtzicht. Vooral op de kleinere telescopen wordt een red dot finder meegeleverd. De reden hiervoor is, dat een red dot finder de montering(die meestal maar net voldoende is voor de kijker) nauwelijks extra belast en dat red dot finders vrij goedkoop zijn. Voor een kleine 20 euro heb je er al eentje. Onderschat de bruikbaarheid van de red dot finder echter niet. Het is een zeer handig apparaatje en als men eenmaal doorheeft hoe het werkt, dan is het zeer prettig en bovenal intuïtief in gebruik. Nadeeltje is dat het batterijtje leeg kan gaan (het wil nog wel es voorkomen dat vergeten wordt dat het ding nog aanstaat). Zonder batterij is de red dot niet bruikbaar. Een ander klein nadeeltje is dat de red dot minder bruikbaar wordt naarmate de lichtvervuiling toeneemt. Omdat gebruik wordt gemaakt van wat met het blote oog zichtbaar is om het puntje te richten kan het in een lichtvervuilde omgeving lastig zijn de juiste plek aan de hemel te vinden. Hiervoor biedt een optische zoeker uitkomst.

Optische zoekers[bewerken]

Een optische zoeker is eigenlijk een mini-telescoopje, meestal een refractor. Gangbare maten zijn 6x30(6 maal vergroting, 30mm objectief) en 8 of 9x50 (9 maal vergroting en 50mm objectief). Het grote voordeel tov een red dot finder is dat er geen batterijtje in zit dat leeg kan raken en dat je meer sterren ziet dan met het blote oog. Dit type zoekers wordt daarom bij voorkeur gebruikt in de wat meer lichtvervuilde omgevingen. Op een zeer donkere locatie heeft men echter genoeg aan een red dot finder en kan het beeld in een optische zoeker overweldigend veel sterren tonen waardoor de zoeker eigenlijk geen zoeker meer is. Een 6x30 zoeker is dan een uitkomst, maar helaas zijn de 6x30 zoekers die standaard bij de meeste telescopen worden geleverd van bar slechte kwaliteit, vooral als het een nog kleinere zoeker zoals een 6x20 zoeker bedraagt.

De optische zoeker is ook vooral geschikt om de wat meer illustere objecten te vinden maar of het star-hoppen nu met het beeld in de telescoop of de zoeker gebeurt, maakt eigenlijk niet veel uit. Het is gewoon een variatie op hetzelfde. Sommige Messier objecten zijn in de zoeker ook zichtbaar, het opzoeken van deze objecten is daardoor zeer makkelijk. Nadeel van optische zoeker is, dat de prijs vergeleken met een red dot finder ongeveer een factor 2 hoger is. Ook moet de zoeker scherpgesteld worden op de ogen van de gebruiker. Als jij de enige bent die de telescoop gebruikt dan is dat geen probleem, maar als je door iemand anders zijn zoeker kijkt en die persoon heeft toevallig een andere sterkte in zijn ogen en is gewoon zonder bril waar te nemen dan zul je weinig scherpe sterren zien in die zoeker.

Binnen optische zoekers heb je ook nog meestal de keus uit 2 typen: de dovetail zoekers en de right angle zoekers. De dovetail zoeker is gewoon een rechte refractor. Het beeld dat de zoeker toont staat op zijn kop en gespiegeld. Ook is de inkijklocatie niet ideaal. Het hoofd moet vrij dicht bij de telescoopbuis gehouden worden. De right angle zoeker heeft deze beide nadelen niet. Net als bij de refractortelescopen wordt door middel van een prismaspiegel het beeld gespiegeld en rechtop gezet en de inkijk makkelijker. Nadeel is wel de prijs, die is wederom ongeveer 2x de prijs van een dovetail zoeker.

Klein nadeeltje van de optische zoeker is, dat deze net als de refractor gevoelig is voor dauw. Gelukkig valt dit normaal wel mee en alleen in zeer vochtige omstandigheden zal de zoeker beslaan. Hij is dan wel onbruikbaar, en het schoonmaken kan ervoor zorgen dat de uitlijning met de telescoop verstoord wordt. Niet ideaal dus. Ook is het kruis in het donker niet altijd even goed zichtbaar, dat is bij de red dot alleen het geval als de batterij lage spanning heeft. Als oplossing heeft men daarom ook zoekers ontworpen die een oplichtend kruis hebben. Deze zoekers zijn echter weer een stuk duurder: denk hierbij aan zo'n 150 euro. Hoe groter de zoeker, des te meer mogelijkheden. Er zijn bijvoorbeeld ook zoekers waarin men zelf oculairen naar keus kan plaatsen. De vergroting is hierdoor vrij te kiezen en af te stemmen op het gebruik en interesse van de waarnemer. Vanzelfsprekend zijn deze zoekers ook navenant geprijsd. Prijzen boven de 200 euro zijn geen uitzondering en daarom niet interessant voor een beginner met beperkt budget.

Als geld geen probleem is dan is de 8x50 right angle finder de beste keus, eventueel bijgestaan door een red dot finder. Zo is men ervan verzekerd dat er altijd een bruikbare zoeker is voor welke waarneemstek dan ook. Telescopen die slechts met een red dot zijn uitgerust zijn ook prima bruikbaar maar er moet niet heel veel lichtvervuiling zijn (of men moet al een heel goed gevoel voor plaats en afstand aan de hemel hebben). Het kan dan later handig zijn alsnog een goede optische zoeker erbij te kopen. Als de telescoop wordt geleverd met een kleine optische zoeker dan is het in de meeste gevallen aan te raden deze zo spoedig mogelijk te vervangen door een red dot finder.

Bijgeleverde accessoires(oculairen, barlow en filters)[bewerken]

Eigenlijk is dit het minst belangrijke onderdeel en iets wat je als gebruiker zoveel mogelijk direct wil 'customizen'. Koop een kwalitatief goede kijker, dan zit je in de toekomst altijd goed als je ook kwalitatief goede accessoires koopt. Ga je het andersom doen (kwalitatief slechte kijker) dan kun je met de beste wil van de wereld en goede accessoires niet meer uit je kijker halen dan erin zit.

De meest gangbare oculairen zijn een 25mm en 10mm plössl. Deze zijn voor het begin toereikend, maar het is misschien de moeite om je een beetje in oculairen in te lezen en als de winkel de optie biedt om de telescoop zonder oculairen te kopen, meteen te kiezen voor iets duurdere en betere exemplaren. Enkel bij een bouwmarktrefractortje (die sowieso nooit gekocht moet worden) kan het oculair roet in het eten strooien. Het gaat dan eigenlijk in alle gevallen om een 0.925” focusser en oculairen. Deze zijn vaak van zeer slechte kwaliteit.

Wat betreft de barlow lens die soms ook bij een telescoop wordt geleverd kan het ook een geval zijn van 'hit or miss'. Vooral bij de goedkopere telescopen (onder de 100 euro) wil de kwaliteit nog wel eens slecht zijn. De barlow wordt dan meer als lokkertje gebruikt zodat de koper denkt dat hij veel waar voor zijn geld krijgt. In werkelijkheid was men net zo goed af zonder barlow.

De filters die eventueel meegeleverd worden moet men gewoon uitproberen. In sommige gevallen zijn ze best goed bruikbaar. Alleen bij extreem goedkope kijkers moet men net als met de barlows hier echt niet veel van verwachten. Een filter van 2 euro kostprijs kan meestal weinig meerwaarde bieden.

Een goede beschrijving van prima oculairen, barlows, filters en zoekers vind je op de pagina Beginner_accessoire_set.

Fabrikantnaam[bewerken]

Tot slot nog iets over de fabrikant van de telescoop. Als men de merken die op de zwarte lijst staat mijdt en zich beperkt tot de gangbare merken zoals Skywatcher/Orion/GSO/Celestron/Meade dan is de kans een kat in een zak te kopen vrij gering. Dit zijn ook de merken die het meest voorkomen bij de leden van het astroforum. Er zal dus altijd wel iemand zijn die een bepaald probleem ook eens heeft gehad. Je kunt daarom het beste ook even de search gebruiken van het astroforum als je een bepaalde kijker op het oog hebt. Dan vind je waarschijnlijk meer dan genoeg informatie over het gebruik en eventuele problemen(of juist niet, wat gunstig is) van een bepaalde kijker van bepaald merk.

Conclusie[bewerken]

Dit artikel bevat zeer veel informatie. Voor een beginner kan dit zeker intimiderend zijn. Lees het daarom nog eens goed allemaal rustig door en kijk wat van toepassing is op de kijker die jij op het oog hebt. Kom je er nog niet uit, vraag dan op het forum en stel de aankoop gerust nog even uit. De sterrenhemel is er volgende maand of volgend jaar ook nog en iedereen heeft profijt van een weloverwogen keuze.

In het artikel Beginnerstelescopen wordt nog een lijst gegeven van mogelijke keuzes die altijd waar voor hun geld bieden voor verschillende gebruiksdoelen.

Redfish 1 jul 2009 12:30 (UTC)Aanpassingen/verbeteringen/toevoegingen zijn altijd welkom.